DONATIE

Frans en Josje de Croon

Op de bres voor mensen die het moeilijker hebben

“Wij zijn geen superdonateurs hoor, onze donatie is maar bescheiden.” Dat willen Frans (82) en Josje (80) de Croon uit Cuijk als eerste even gezegd hebben. Maar dat klopt natuurlijk niet helemaal wanneer je al sinds begin jaren zeventig onafgebroken de KSBS een financieel zetje in de rug geeft. “Daarvoor was mijn moeder al donateur. Als familie gaan we dus nog verder terug”, vult Josje aan.

door John van Enckevort | foto John Smits

Donateurs Frans en Josje de Croon

De Stem van Grave gaat in huize De Croon nooit ongelezen de oud papierbak in. Frans: “We vinden de persoonlijke verhalen vanuit het perspectief van een slechtziend of blind iemand interessant. Maar we lezen ook graag over wat er door innovaties op technisch en medisch gebied allemaal meer kan, in vergelijking met vroeger.”

Maria Roepaan

Een bijzondere connectie met blinden en slechtzienden heeft het echtpaar niet, wel met mensen die het in het leven wat moeilijker hebben dan anderen. Daar willen ze graag iets voor doen. Via donaties, maar ook door vrijwilligerswerk. Bijvoorbeeld bij Dichterbij, het vroegere Maria Roepaan, in Gennep. Daar maakte Josje lange tijd wandelingen met mensen met een ernstige verstandelijke beperking.

Goed verstaanbaar

Het vrijwilligerswerk van Frans had wel een link met blinden en slechtzienden, maar dat was toeval: “Op mijn werk bij de voormalige vervoersmaatschappij Zuidooster merkte onze blinde telefoniste op dat ik zo duidelijk en goed verstaanbaar sprak. Ze vond daarom dat ik kranten en tijdschriften moest gaan inspreken bij Dedicon in Grave. Daar heb ik het vak geleerd van de blinde technicus Theo Hendrikse. Samen met Theo heb ik eens iemand naar vliegveld Weeze gebracht. Na het afrekenen bij de parkeerautomaat, zat ik al snel weer in mijn auto. Maar Theo kwam maar niet. Die stond nog steeds bij de parkeerautomaat, wachtend tot ik hem zou begeleiden.”

Pikkedonker

Andersom vergat Theo Frans ook wel eens: “Dan liepen we op een winteravond samen naar zijn huis. Binnen deed Theo zijn vaste routine. Hij had geen licht nodig, dus de lampen deed hij niet aan. Stond ik daar in het pikkedonker, ik durfde geen stap te verzetten.”