LEVENSVERHAAL

Portret van Bert Glorie in de kerk.

Bert Glorie is de eerste blinde priester van Nederland.

Portret van Bert Glorie in de kerk.

Bert Glorie is de eerste blinde priester van Nederland.

Pastoor Bert Glorie
Een wens die 42 jaar lang bleef sudderen

Het is een jaloersmakende omgeving, de indrukwekkende Sint-Victorkerk (in 2008 uitgeroepen tot mooiste kerk van Noord-Holland) en de aangrenzende pastorie aan de Dorpsstraat in Obdam. Bert Glorie woont er als pastoor van de parochie. Met zijn wijding in de St. Bavo Kathedraal in Haarlem werd hij in oktober 2020 de eerste blind­geboren priester van Nederland.

door John van Enckevort | foto‘s Erik Kottier

Het is een jaloersmakende omgeving, de indrukwekkende Sint-Victorkerk (in 2008 uitgeroepen tot mooiste kerk van Noord-Holland) en de aangrenzende pastorie aan de Dorpsstraat in Obdam. Bert Glorie woont er als pastoor van de parochie. Met zijn wijding in de St. Bavo Kathedraal in Haarlem werd hij in oktober 2020 de eerste blindgeboren priester van Nederland.

“Er is een aantal Nederlandse priesters die, meestal op latere leeftijd, blind werden en hun ambt zijn blijven uitoefenen”, zo begint Bert Glorie (61). “Maar dat is toch echt anders. Internationaal heb ik gehoord van een blindgeboren priester in Polen, en een in Duitsland.” Statistieken worden er niet over bijgehouden, maar Glorie is zeker vrij uniek. En dat past ook bij het plaatsje Obdam. Daar werd op de dag van de WK-finale Nederland – Spanje in 2010 al eens een ‘oranjemis’ opgedragen, door de toenmalig pastoor Paul Vlaar. Het leverde Vlaar nationale bekendheid op – en een schorsing van twee maanden door het bisdom.

Godsdienstleraar

De wens van Glorie om priester te worden dateert feitelijk al vanaf zijn 16e, maar werd pas in 2015 concreet. Tot die tijd leidde die ambitie een sluimerend bestaan, ook omdat hij vroeger verwachtte dat zijn blindheid hem in de weg zou staan. De katholieke kerk verlangde van zijn voorgangers immers, zeker nog in die tijd, ‘geen vlek of gebrek’. Glorie bleef wel steeds op een of andere manier in contact staan met het geloof: “Zo heb ik theologie en Nederlands gestudeerd, was ik lange tijd godsdienstleraar en werkte ik als opbouwwerker bij het dekenaat van de katholieke kerk in Hoorn.”

Knoeien

In 2015 werd Glorie pastoraal werker in Obdam. “Toen heb ik serieus mijn langgekoesterde wens uitgesproken, naar de bisschop.” Die zag geen principiële bezwaren, maar praktische. Zoals de vrees dat Glorie mogelijk zou knoeien met wijn en brood. En dus zei de bisschop nee. Later stuurden verschillende parochianen positieve brieven over Glorie naar de bisschop. Mede daardoor kwam er uiteindelijk een persoonlijk gesprek van Glorie met de bisschop. Hierin werden de plooien gladgestreken: “Ik mocht naar het seminarie om priester te worden, op voorwaarde dat ik voor een assistent zou zorgen die me tijdens elke dienst zou bijstaan.” En zo geschiedde.

“Het werk als pastoor gaat ouderwets 24 uur per dag en zeven dagen per week door. Er kan in principe altijd een beroep op je worden gedaan.”

Internaat

Glorie werd in 1962 geboren, in het dorpje Egmond aan den Hoef bij Alkmaar. Zijn beide ouders konden zien, maar waren drager van een erfelijke oogaandoening. “Ik ben het tweede kind van ons gezin en zowel ik, mijn oudere zus Ineke en de jongste van ons vijven, Charlotte, zijn blind.” In die tijd sprak het vanzelf dat blinde katholieke kinderen naar het internaat van het katholieke blindeninstituut in Grave werden gestuurd. “Ik kwam eerst op De Wijnberg terecht, waar Ineke al zat. Een jaar later verhuisden de jongens naar de nieuwbouw van St. Henricus in Nijmegen.”

Struinen

In Nijmegen had Bert het niet slecht. “Natuurlijk miste ik mijn familie, en het geborgen gezinsleven. Bij de fraters vond ik dat beschutte gevoel nog het meeste terug. Voor hen was het instituut hun volledige leven. Ze waren er altijd, dat vond ik fijn. Zo maakte een frater mij telkens twintig minuten eerder wakker dan de rest, zodat ik op de piano kon oefenen. Ook herinner ik me dat ik er, zonder stok of begeleiding, heerlijk vrij door de bossen mocht struinen. Qua leren ging het me allemaal vrij gemakkelijk af, qua oriëntatie-vermogen ben ik nog steeds een beetje onhandig.”

Beschermde omgeving

Na de basisschool op St. Henricus, ging Glorie weer thuis wonen en doorliep hij het gymnasium aan het PCC Lyceum in Alkmaar. “Ik was soms wat eenzaam – ik kon bijvoorbeeld niet meevoetballen - en moest er vrijwel alles zelf voor regelen, zoals brailleboeken bestellen. Toch ben ik blij dat ik toen de stap naar het reguliere onderwijs heb gemaakt. Door de beschermde, geïsoleerde omgeving van een speciale school raak je hoe dan ook enigszins gehospitaliseerd. Nu kwam ik voor mijn gevoel midden in de maatschappij te staan, dat heeft me in mijn latere leven zeker geholpen.”

Bert Glorie staat buiten, op de trappen voor de kerk.
Beschermde omgeving

Na de basisschool op St. Henricus, ging Glorie weer thuis wonen en doorliep hij het gymnasium aan het PCC Lyceum in Alkmaar. “Ik was soms wat eenzaam – ik kon bijvoorbeeld niet meevoetballen - en moest er vrijwel alles zelf voor regelen, zoals brailleboeken bestellen. Toch ben ik blij dat ik toen de stap naar het reguliere onderwijs heb gemaakt. Door de beschermde, geïsoleerde omgeving van een speciale school raak je hoe dan ook enigszins gehospitaliseerd. Nu kwam ik voor mijn gevoel midden in de maatschappij te staan, dat heeft me in mijn latere leven zeker geholpen.”

Afspraken maken

Het werk als priester bevalt Glorie zeer. “Ik doe hetzelfde als iedereen: verschillende soorten missen opdragen, preken voorbereiden, stukjes schrijven in het parochieblad en veel vergaderen. Het past me goed, omdat ik me graag onder de mensen begeef en het niet erg vindt wanneer veel ogen op me gericht zijn.” Wel moet Glorie, meer dan zijn collega-priesters, een beroep doen op de hulp van vrijwilligers. “Ik kan niet op stel en sprong ergens naartoe, iemand moet me dan toch meestal brengen. Dat is natuurlijk niet handig, maar dat is dan maar zo. Om met iedereen in contact te blijven, maak ik sowieso vaste afspraken. Zomaar het dorp inlopen en dan maar afwachten wie je tegenkomt, werkt voor mij niet.”

Rust nemen

Het werk als pastoor gaat ouderwets 24 uur per dag en zeven dagen per week door. “Er kan in principe altijd een beroep op je worden gedaan. Daar heb ik totaal geen moeite mee, wel probeer ik na de dienst op zondag even rust te nemen. Dan vertrek ik in de regel naar Egmond aan den Hoef. Om bij mijn ouders op bezoek te gaan, maar ik heb er ook mijn eigen huis aangehouden.” Lachend: “Mijn plan is dan om maandag eind van de dag weer in Obdam te zijn. Eerlijk gezegd lukt dat niet bijzonder goed, vaak begin ik op zondagavond toch alweer aan de terugreis.”